Vanuit de afgrond, na de val

by ziurdt

Een maand geleden is het nu. Ongeveer. Een maand nu vechten we voor ons bestaan. Een maand van zoeken, vechten, vluchten ligt er achter ons, en ik weet niet waarom ik dit nu opschrijf. Het heeft geen zin. Water hebben we nodig, geen woorden. Voedsel, geen verhalen. Onderdak, geen alinea’s. In een gedicht kun je niet wonen, of ze knuppelen je dood om je kleren en gereedschappen te stelen.

Een maand sinds de fatale dag. In de morgen ging Griekenland failliet, en van minuut tot minuut gleden we verder af. Ierland volgde, Portugal, Spanje, Italië. Rond het middaguur hield het op met regenen en brak zowaar de zon door, en voor wie niet aan radio, tv of internet gekluisterd zat leek het een mooie dag te worden, de eerste sinds lange tijd deze zomer.

Maar tijdens de lunch begon zich af te tekenen wat er aan de hand was. Pinautomaten werkten niet meer, banken sloten inderhaast hun deuren. Daarna ging het snel bergafwaarts. De premier was niet van de tv te slaan, maar veel te zeggen had hij niet. Of we kalm wilden blijven en vertrouwen op de regering, die hard werkte aan een oplossing. Zijn gezicht asgrauw, van zijn gebruikelijke frisse opgewektheid niets meer over.

Die avond was het geld waardeloos geworden. De minister van financiën zei dat hij het fiksen zou. Beelden van veldslagen in de knoflooklanden stroomden de huiskamers binnen. Er werd met scherp geschoten, zeiden de doodsbange correspondenten. Ook in Nederland brak paniek uit. Winkels werden geplunderd, vooral supermarkten en bouwmarkten. Voor elektronica had vrijwel niemand oog. Wat moet je met een televisie als je niets te vreten hebt?

Nog een paar dagen wisten de politie en het leger de meute in het gareel te houden. Toen vielen de telefoonnetwerken uit en al gauw ook periodiek de stroom. Transistorradio’s brachten vertwijfeld nieuws: de euro was opgeheven, banken waren failliet, Turkije had delen van Griekenland bezet. Inderhaast werd nog geprobeerd een nieuwe valuta uit de grond te stampen, maar omdat alle Europese landen in complete chaos verkeerden kwam de handel niet op gang. Papier, inkt, elektriciteit voor de persen, benzine voor de distributie van het nieuwe geld, niets was voorhanden, of inmiddels al geplunderd of verwoest. Het kantoor van De Nederlandsche Bank stond al de tweede dag in lichterlaaie.

In karavaan ontvluchtten we de steden, alles achterlatend behalve het beetje eten dat iedereen in huis had, en misschien wat gereedschap. Met vijf vrienden vertrok ik, er zijn er nog drie over. Een heeft zich dood gevochten om zijn eten te beschermen, de ander is ‘s nachts verdwenen, ergens in een bos bij Utrecht. We dachten dat we hem hoorden schreeuwen, maar dat kan ook verbeelding zijn geweest. Het bos zat vol met plukjes mensen, velen doodsbang, maar altijd strijdlustig. Als je dichterbij kom sla ik je schedel in.

Wat nu? We proberen ons te organiseren, te verbinden met anderen die van goede wil zijn. Ergens op de vlaktes van Noord-Duitsland moet er toch nog ruimte zijn om in gemeenschap te gaan leven van het land. We hebben sterke mensen nodig om het te verdedigen. En we zoeken mensen die nog messen hebben, of misschien een bijl. Helaas lijken de meeste van dat soort lieden gesteld op de wet van de jungle. Gebrand op de oorlog van iedereen tegen iedereen. A life solitary, poor, nasty, brutish, and short. Wie had gedacht dat Hobbes’ nachtmerrie ooit nog eens realiteit zou worden? Het Europese project moest dat voor altijd uitbannen, en nu zijn we er erger aan toe dan ooit tevoren.

Nu zit ik hier te schrijven, in een vervallen watermolen. We zijn hier al twee dagen, omdat iemand van ons ziek is. Ik vrees dat ze het niet gaat halen, maar dat durf ik niet te zeggen. We moeten haar achterlaten en door gaan, maar ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om het te zeggen. Het moreel is al een week beneden alle peil, want het is ver lopen en het eten is karig en streng gerantsoeneerd. Gelukkig komen we nog maar weinig gewelddadige groepen tegen. Gisteren hebben we onze plek met succes verdedigd tegen een groep uitgehongerde idioten. Beesten waren het, maar zwakke. Ze zijn zelf gevlucht. Zelf heb ik nog niemand gedood, maar mijn vriend heeft er al drie. Nu een van ons het loodje dreigt te leggen vragen we ons allemaal in stilte af waar we het allemaal nog voor doen. Hebben we een keuze? Nee. We moeten door. Opgeven is geen optie.

Waarom schrijf ik dit? Na dertig dagen onbegrijpelijk waanzin is schrijven eigenlijk absurd. Maar misschien is dit een afscheid. Of een vertwijfelde poging om nog hoog te houden wat Europa door de eeuwen heen uit duisternis verheven heeft. Een nieuw begin terwijl de brand nog woedt. Een roos op het graf met 12 sterren. Het is voorbij. Alles begint opnieuw.

Post to Twitter