| Braadkip | | Afdrukken | |
| Wednesday 06 December 2006 | |
|
Het eerste verhaal in het Ziurdt.net Feuilleton. Anders dan u wellicht gewend bent: het is zowaar leesbaar. De verleiding is groot om er allerlei dingen bij te vertellen maar dat is het domste wat je kan doen. Ik schrijf, u leest, punt uit.
Braadkip Hoofd is goedgeluimd vandaag. ‘Deze morgen is alles nieuw,’ denkt hij als hij opstaat, ‘want de zon schijnt en ik voel me goed; er kan echt niets misgaan’. Hoofd is er de man niet naar om zichzelf moed in te spreken om de nieuwe dag aan te kunnen. Nee, als hij zichzelf zo toespreekt, dan meent Hoofd wat hij zegt. Anders houdt hij zichzelf voor de gek, en dat doet hij niet, weet hij. Als hij de badkamer in loopt bekijkt hij zichzelf eerst even in de spiegel, want hij weet dat hij nu straalt. Inderdaad, ziet Hoofd, zijn kop straalt vertrouwen uit en inspira... inspire... hoe zeg je dat eigenlijk? Een frons glijdt over zijn gelaat. ‘Wat doe ik nu,’ mompelt hij, ‘sta ik mezelf een beetje te bewonderen in de spiegel? Ik kan beter iets gaan doen!’. Normaal bekijkt Hoofd zich niet zomaar in de spiegel; alleen voor persoonlijke verzorging maakt hij een uitzondering. Dit is één van die dingen die Hoofd zijn ‘principes’ noemt omdat hij er lang over nagedacht heeft. ‘Ik ben de enige,’ herhaalt hij de kern van dit principe nog maar eens, ‘die mijn gezicht niet in het echt kan zien, nou, dan hoef ik het ook niet te zien. Je eigen gezicht bekijken is hetzelfde als vegetarische worstjes of hamburgers’. Hoofd ziet nog net de frons van zijn voorhoofd verdwijnen als zijn spiegelbeeld zich omdraait en van het venster wegloopt. Terwijl hij een klaterende straal de wc in laat lopen knikt hij tevreden en goedkeurend. ‘Deze morgen is veelbelovend. De lucht is blauw en het is nog aangenaam fris buiten’.
Als Hoofd in de keuken op de derde hap van zijn tweede boterham zit te kauwen krijgt hij een ingeving. Vanavond zal hij een mooie braadkip van de beste kwaliteit op geraffineerde wijze bereiden. Hoofd heeft een drukke baan. Hij kookt vrijwel nooit, hoewel hij toch van mening is dat in koken veel Schoonheid kan zijn, mits de saus niet aanrot en de groenten beetgaar zijn. ‘Omdat het vandaag zo’n veelbelovende dag is, zal ik mij toeleggen op een uitnemende braadkip’. Hij likkebaard onwillekeurig als hij zich het dampend gevogelte inbeeldt. Ietwat verstrooid veegt hij met de rug van zijn hand langs zijn kin; dan drinkt hij zijn koffie op en gaat naar de markt.
De dag is inderdaad heel mooi, merkt hij als hij de deur uit stapt. ‘Het gebladerte is nog fris en er zit nog niet zoveel stof in de lucht,’ bromt hij goedkeurend. ‘Echt een mooie junidag hebben we vandaag’. Hij snuift diep en ademt uit in een onhoorbare zucht. Hij voelt de lucht uit zijn longen door zijn keel glijden, knisperend en licht. Dan draait hij zich een kwartslag naar links en beent met ferme passen de straat uit. Hij is nog geen vijf deuren verder als iemand zijn naam roept. Hij gaat stilstaan en draait zijn hoofd om. ‘Hoofd!’, ziet hij zijn buurvrouw roepen vanuit haar deuropening. Ze wenkt hem. Ze is een blondine van net dertig die af en toe kan fladderen alsof ze twaalf is, en Hoofd denkt dat ze stiekem een oogje op hem heeft, maar gaat niet in op haar avances omdat hij niet zeker weet of het eigenlijk wel avances zijn. Hij laat zich in elk geval niet voor de gek houden. ‘Ik wil een Teken van haar liefde,’ zegt hij wel eens, meestal met vastbesloten en sonore stem tegen de leegte van zijn studeerkamer. ‘Dag Hoofd,’ zegt zijn buurvrouw, die Eleonora heet. ‘Dag Eleonora,’ zegt Hoofd opgeruimd, ‘prachtige dag nietwaar?’ Vanonder haar zeer dun geëpileerde wenkbrauwen kijkt zijn buurvrouw hem wat aan. Hij ziet dat ze slechts in een peignoir gekleed is. ‘Ja,’ zegt Eleonora, ‘het is inderdaad een eh... prachtige dag’. ‘Nou,’ zegt Hoofd, ‘en of’. Hij aarzelt even. ‘Vind je het niet fris,’ vraagt hij met een half gebaar naar haar peignoir. Eleonora schudt van nee en vraagt wat hij vandaag gaat doen. Hoofd vertelt dat hij een uitnemende braadkip gaat klaarmaken vanavond, met een takje rozemarijn en, o ja, salie natuurlijk. Eleonora kijkt hem alweer aan. ‘Goh,’ zegt ze. ‘Krijg je bezoek?’ Hoofd haalt zijn schouders op. ‘Nee,’ zegt hij, ‘geen bezoek. Gewoon’. Hij kijkt Eleonora verwachtingsvol aan. Zou ze hem begrijpen? ‘Arme schat,’ zegt Hoofds buurvrouw. ‘Neenee,’ zegt Hoofd bruusk, ‘dat is helemaal niet erg. Kijk, het gaat me vandaag om het koken zelf als scheppingsproces, van bijna niets iets maken dat er nog niet was, en snel ook niet meer zal zijn. Het hoogtepunt van dat scheppen is dus eigenlijk maar heel vluchtig, want kip, zoals je weet, bederft snel’. Eleonora zegt niets, maar strekt met een wat bezorgd gezicht een hand uit naar zijn kin. Hoofd deinst terug en voelt zijn hart in zijn keel kloppen. Eleonora bereikt hem toch en streelt hem kort en vrij ruw langs zijn mondhoek. Hoofd is lichtelijk beduusd. ‘Zou dit het Teken zijn,’ schiet er door hem heen. Eleonora lacht om het gezicht van Hoofd. ‘Sorry,’ zegt ze, ‘er zaten allemaal kruimels’. Zonder dat dit tot hem doordringt antwoordt hij: ‘Heb je vanavond iets te... wil je meeë...uh...?’ Nu verstijft Eleonora wat, even. Dan bloeit haar gezicht open in haar liefste glimlach. ‘Graag, Hoofd,’ zegt ze met warme stem. ‘Okee. Ik moet nu naar de markt,’ zegt Hoofd haastig, en maakt zich uit de voeten.
Op weg naar de markt vervloekt hij zichzelf in stilte. Waarom heeft hij haar gevraagd? ‘Handen af van mijn braadkip,’ denkt hij.
Hoofd sloft voetje voor voetje achter een enorme vrouw die een kinderwagen door de massa probeert te sturen. Ze wordt omstuwd door gillende kinderen waarvan sommige een ballon aan een touwtje meedragen, die door een zachte bries in Hoofds gezicht geblazen worden. Het lawaai is oorverdovend. Hoofd trekt een grimas. Bij een kraampje met hoge stapels appels en ander fruit ziet hij een opening in de dichte haag van mensen. Hij wurmt zich tussen een bejaarde vrouw die heel langzaam alle peren (drie kilo voor een euro) in een krat betast en een Turks aandoend heerschap met een snor. ‘Mooie arebeien,’ roept de groenteman, ‘twee eurootjes maar’. De bejaarde vrouw laat de peren voor wat ze zijn en rekt haar schriele halsje uit om de aardbeien te kunnen bekijken. De buurman van Hoofd draait zich om. Hoofd voelt dat hij ergens op staat. Hij kijkt naar beneden en ziet dat hij op de zoom van de veel te lange vaalgroene broek van de Turk staat. ‘O, pardon,’ zegt Hoofd tegen de kruin van de man, die ook naar beneden kijkt. Hij tilt zijn voet op en weg is de man. ‘Hollandse arebeien,’ schalt de verkoper, ‘kom er maar bij mensen’. Het vrouwtje naast hem is aan de beurt. Ze mummelt wat. ‘Kennu ietsies harder praten mevrouwtje,’ zegt de groenteman. Het mens schraapt haar keel en zegt: ‘Mag ik twee peren alstublieft’. Verbaast trekt de verkoper zijn wenkbrauwen op. Twee? Maar ze zijn drie kilo voor een eurootje maar mevrouw. Het vrouwtje houdt haar bosje vale krullen fier in de lucht en zegt: ‘Ik wil er twee, ik ben ook maar alleen ziet u, en anders moet ik ze weggooien en dat is zonde’. De groenteman haalt zijn schouders op en graait twee peren uit het krat. Het besje begint te kraaien, van hoho, ik wil ze wel zelf uitzoeken. ‘Zal ik nu weglopen,’ denkt Hoofd. Hij blijft staan. Als hij eindelijk aan de beurt is moet hij zijn keel schrapen. De groenteman trekt ongeduldig met zijn mondhoek. ‘Een bosje rozemarijn,’ zegt Hoofd, ‘en een bosje salie alstublieft’. ‘Daarzo, meneertje,’ wuift de man met zijn hand, ‘daar is de groente. Dit is het fruit. Mooooie arebeien,’ vervolgt hij galmend, ‘drie euro per bakje’. Hoofd protesteert. Ziet hij wel hoe druk het is? Dat komt door het mooie weer. De koopman heeft er de pest in. ‘Ja,’ zegt hij, ‘het is me het weertje wel inderdaad. Vooruit maar’. Hij loopt weg naar het gedeelte voor groenten. ‘Gelukkig heb ik nog bleekselderij in huis,’ denkt Hoofd, ‘laat ik het hierbij maar laten’. ‘Vijf eurootjes, meneer,’ zegt de groenteman als hij terugkomt met twee kleine slappe bosjes kruid. Hoofd slikt en betaalt zonder morren. ‘De markt is geen prettige plek,’ zegt hij bij zichzelf als hij zich weer in de traag voortbewegende stroom mensen sjokt, ‘het is er druk en de mensen zijn onvriendelijk. Maar ik laat me niet kisten’. Hij recht zijn schouders rammelt even met het plastic zakje waar de kruiden in zitten. De poelier zit helemaal aan de andere kant van de markt. Het duurt lang voordat hij er is, maar gelukkig staat er maar één iemand te wachten. Het is een vrouw met geblondeerd haar en een veel te bruin gezicht. ‘Hebbu ook hanevlees,’ vraagt ze met een rookstem. De poelier krabt zich op de kruin. ‘Hanevlees? Ik heb een braadkuiken voor u maar ik kan u niet vertellen of het een kip of een haan was’. ‘Ja maar,’ raspt de vrouw, ‘ik moet hanevlees hebben hoor’. De poelier fronst zijn wenkbrauwen. ‘Waar is het voor, als ik vragen mag,’ informeert hij. ‘Hebbu nou hanevlees ja of nee,’ zegt de vrouw, ‘of weet je wat, laat maar hangen, ik gaat wel bij je buurman kijken’, en daar gaat ze, de man achterlatend met een trieste blik in zijn ogen. Hoofd voelt zich opgelaten. ‘Goedemorgen,’ zegt hij zo vriendelijk mogelijk. ‘Eén grote braadkip, alstublieft’. De poelier zegt niets, pakt er zwijgend een uit de rij, kwakt hem terug en neemt een andere, die hij vragend boven de toonbank houdt. ‘Ja,’ zegt Hoofd, ‘dat is een mooie. Die neem ik’. Zonder een woord pakt de man het bleke geval in en overhandigt hem Hoofd. ‘Tientje,’ zegt hij. Hoofd betaalt en loopt dankbaar een zijstraat in, op weg naar huis.
Hij loopt een blokje om zodat hij zijn voordeur vanaf de andere kant bereikt. Hij heeft geen zin om Eleonora tegen te komen. ‘De markt heeft danig inbreuk gemaakt op mijn goede humeur,’ denkt hij. ‘Misschien zeg ik wel iets lelijks. Dat is niet zo erg,’ vervolgt hij, ‘want dan heb ik tenminste mijn kip voor mij alleen. Maar aan de andere kant kun je beter een goede buur hebben dan een verre vriend’. Hij komt onaangesproken binnen en legt de kip en de kruiden op het aanrecht. Dan loopt hij naar de gang, waar hij zijn jas op de kapstok hangt. Hij blijft een ogenblik staan. ‘Het is jammer dat de markt zo druk was,’ zegt hij, ‘want nu is er al een flinke hap uit de dag zonder dat ik ervan genoten heb. Dat is zonde, want het weekeinde is zo voorbij’. Hoofd is niet tevreden met deze constatering. ‘Ze lost niets op,’ denkt hij, ‘en zorgt dat mijn stemming nog wat verder daalt. Laat ik aan leuke dingen denken’. Hoofd blijft in de gang staan, maar er komen geen leuke dingen in hem op. ‘Het is heel mooi weer vandaag,’ probeert Hoofd hardop. ‘Er zit nog weinig van dat fijne stof in de lucht. En het gebladerte is nog fris’. Het helpt niet, want zo geweldig is dat allemaal nu ook weer niet, zeker niet in het licht van al die lelijke dingen die hij vandaag reeds gezien heeft. ‘Wat zonde dat mijn goede humeur nu naar de knoppen is,’ denkt hij. Dan gaat hem een licht op. ‘Misschien is de gang niet zo’n inspirerende omgeving’, overweegt hij. ‘Laat ik mij bezig houden met de bereiding van mijn braadkip’. Hoofd spoedt zich naar de keuken en wast zijn handen grondig en met zeep. Hij opent het zakje kruiden en bekijkt de twee hangende bosjes. ‘Laat ik ze even in het water zetten,’ zegt hij. Daarna opent hij een keukenkastje waarin verschillende flessen wijn staan. Hij bedenkt zich dat hij nu toch echt een keer een wijnrek moet aanschaffen, want wijn dient liggend bewaard te worden. Dat is beter voor de kurk, en ook nog voor andere dingen, waar hij zo snel niet op kan komen. Hij bekijkt een paar etiketten en kiest een fles witte wijn met een lelijk etiket. ‘Eigenlijk doet het etiket er niet toe,’ denkt hij, ‘maar toch is het zonde om een fles met een mooie zomaar door het eten te gooien. Ook al is het dan een uitnemende braadkip’. Hoofd voelt hoe het water hem in de mond loopt. Hij wrijft zich in de handen. Braadkip! Op een onbewaakt ogenblik heeft hij toch maar mooi zijn goede humeur terug gekregen. Hij pakt een grote schaal en opent gretig de wijn. Het vocht maakt een klokkend geluid als hij het in de schaal giet. ‘Nu komt het moment suprème,’ denkt Hoofd. ‘Ik zal kennis maken met het gevogelte’. Hij pulkt aan het rode plakbandje om de opening van de zak, maar het gaat niet open. Hij begraaft zijn vingertoppen in het plastic en scheurt het open. Dat kost minder kracht dan hij had berekend en hij schiet uit: hij duwt zijn handen stevig tegen de kip. Het weke, koude vlees pulpt om zijn knokkels. ‘Nu ben je nog koud en bleek en lillerig,’ zegt Hoofd tegen de kip, ‘maar als ik met je klaar ben zul je sappig en warm zijn en heb je een goudbruin knapperig korstje. Dus niet zo tegenstribbelen: ik ga je tot een echte schoonheid maken’. Grinnikend verwijdert hij het plastic.
Hoofd zit aan de keukentafel met zijn kin op zijn hand geleund. De braadkip heeft maar één poot, die als een obsceen gebaar boven de rest van het karkas uitsteekt.
Later die middag besluit Hoofd een wijnrekje te gaan maken. “Mijn gebraad is mismaakt,” zegt hij mismoedig. “Daarom is het noodzakelijk dat er alsnog iets uit mijn handen komt. Ik laat mij niet uit het veld slaan”. Hij loopt naar het schuurtje in de nauwe achtertuin. De deur piept en er hangt meer dan een spinnenweb aan de stellingen. Ook al is hij er lang niet geweest, toch weet Hoofd in het schemerduister feilloos de weg te vinden naar een bos latjes op de onderste plank. Buiten werpt hij ze op de tegels van het terras. Dan gaat hij op zoek naar spijkers,wat aanmerkelijk langer duurt, en een hamer. “Het is maar goed dat ik die latten heb bewaard,” spreekt hij zichzelf moed in. “Anders had ik nu toch maar mooi geen wijnrek kunnen maken”. Hij kijkt naar de lucht en slaakt een zucht. Dan gaat Hoofd aan het werk. “Ik moet de latjes op regelmatige afstand met de platte kant tegen elkaar spijkeren,” denkt hij. “Op die manier ontstaat een raamwerk, waarin ik de flessen zal kunnen schuiven”. Hij begint met een lat die hij horizontaal voor zich legt. Daarop legt hij haaks drie latjes. Dan schuift hij een lat parallel aan de eerste onder de rest, en daarnaast nog een. “Dat is niks,” zegt hij. “Nu kan ik maar vier flessen kwijt. Ik moet alles opschuiven”. Dat doet hij. Eerst schuift hij de onderste latten voorzichtig één voor één naar links. Dan gromt hij geërgerd. Hoofd legt een vierde latje naast de andere drie onderop en verschuift de bovenste in de lengterichting en ook wat in de breedte. Dan een vierde lat erop en daar ligt het wijnrekje in wording. Hoofd knort: zo simpel is het. “Ik ben praktisch van aanleg,” denkt hij, “maar ik laat het een beetje versloffen”. Hij begint de eerste kruising vast te spijkeren. Als hij door het hout heen is en de spijker de grond raakt slaat hij nog iets harder. “Dan worden de spijkers een beetje afgerond,” bedenkt hij, “dat is veiliger want dan blijft er niets aan hangen”. Ja, zo moet het. Een praktisch man houdt rekening met zulke dingen. Het werk vordert gestaag.
Als het hekwerk af is, denkt Hoofd: “Nu moet ik er natuurlijk nog één maken”. Hij lacht. “Daar had ik niet aan gedacht”. Omdat hij nu weet hoe hij te werk moet gaan ligt het tweede raamwerk in een mum van tijd klaar. Op één latje na: de bundel bevatte maar elf houtjes van voldoende lengte – ervan uitgaande dat hij er vier nodig heeft om een dwarsverbinding te maken. De rest is een stuk korter en niet bruikbaar. Hoofd staat op van de grond en beent weg van het project. Hij maakt verschillende wegwerpgebaren en geluiden. Dan gaat hij terug, knielt weer en hamert snel en hard de houtjes aaneen. Voor de laatste neemt hij een korter exemplaar. “Als ik nu maar zorg dat er nooit meer dan acht flessen wijn in huis zijn dan heb ik helemaal geen lang latje nodig”, denkt hij, met een gevoel alsof hij een gehate tegenstander te slim af is. De dwarsverbindingen maakt hij eveneens snel af. Hij tilt het bouwsel op en zet het binnen in een hoek van de keuken. “Het wijnrek staat een beetje scheef,” stelt Hoofd vast, “maar het is een puik stukje werk, al zeg ik het zelf”. Als hij het keukenkastje waar de flessen in staan wil openen, valt zijn oog op het bleke kippenlijf, dat temidden van het groen in de wijn ligt. De ene poot van het mormel lijkt uitdagend te zwaaien.
De wijn ligt in het rek, de kip in het nat, de hamer en het brandhout in de schuur en Hoofd heeft grondig zijn handen gewassen. “Zo,” zegt Hoofd opgeruimd. “Ook al gaat het niet van een leien dakje, toch ben ik vandaag goed op weg”. Dan schiet zijn buurvrouw hem te binnen. Hij heeft helemaal geen tijd met haar afgesproken! “Laat ik maarvast zorgen dat alles aan kant is,” zegt Hoofd. Hij kijkt om zich heen, maar alles is al opgeruimd. Dat scheelt weer; misschien kan hij nu de krant... Vanuit een spelonk ergens diep in hem bekruipt Hoofd een gedachte. Normaal staat hij zich dergelijke gedachten niet toe; het is echter nog altijd een mooie dag, en bovendien heeft hij een massa tegenslagen te verduren gehad. Hoofd is dus van mening dat hij zich best iets kan permitteren. Als ze nu eens..., begint hij. Als Eleonora nu eens... Nee. Als ik Eleonora nu eens... als het Teken. Dan zal ik haar... of andersom... en dat we dan... maar we kunnen ook... of misschien... Hoofd vermant zich. Hij moet het bed opmaken.
Hoofd is kort en cerebraal als zijn naam, Eleonora zacht en zoetvloeiend als de hare. “Hallo,” zei Hoofd toen hij de deur open deed. “Dag Hoofd,” zei Eleonora, “mmm, wat ruikt het hier heerlijk zeg! Ik kan bijna niet wachten”. Nu zit ze aan tafel, terwijl Hoofd de kip uit de oven haalt. Als hij het gebraad op het rechaud plaatst zet Eleonora grote ogen op. “Mallerd, kon je je niet inhouden?” Hoofd is verbouwereerd. Hoezo, vraagt hij. Eleonora wijst op de ontbrekende poot. “O,” zegt Hoofd, “de poot. Nee, die was al weg toen ik hem kocht”. Zijn buurvrouw kijkt hem aan. “Lust je een wijntje,” zegt Hoofd. “Ja,” zegt Eleonora, “lekker!” Hoofd loopt naar het wijnrek. “Ik heb vandaag een wijnrek getimmerd,” zegt hij, “wil je het zien?” “Straks,” zegt Eleonora. “Het zou zonde zijn als de kip koud wordt”. Hoofd is niet tevreden met dat antwoord. “De kip is al niet goed,” zegt hij in zichzelf, “en nu wil ze het andere kunstwerk niet eens meer zien”. Hoofd pakt de fles met het mooiste etiket en opent hem aan tafel. Dan pakt hij twee wijnglazen uit de kast en schenkt in. Een gemorst druppeltje wordt een grote vlek op het witte tafelkleed. “Je moet er zout op strooien,” zegt Eleonora, “dan krijg je de vlek er makkelijker uit”. Hoofd strooit zout op de vlek. Ze proosten. Hoofd snijdt de kip aan en geeft Eleonora de ene poot. “Eet smakelijk,” zegt hij. Ze kijkt hem onzeker aan. “Wat is er,” vraagt Hoofd. “Eh...,” begint ze voorzichtig, “heb je er niets bij?”. Nee, Hoofd heeft er niets bij. Een goede braadkip is genoeg, betoogt hij goedmoedig, daar hoeft geen garnituur meer bij. “O,” zegt Eleonora. “Ik heb wel wat brood hoor, als je wilt,” zegt Hoofd. Dat wil ze wel. Hoofd aarzelt of hij inwendig boos moet zijn of haar moet vergeven voor haar culinaire onwetendheid. “Het beste is het haar niet kwalijk te nemen,” denkt hij, “anders heb ik het bed voor niets opgemaakt”. Hij grinnikt. “Waar lach je om,” vraagt Eleonora. “Niets,” zegt Hoofd, “een binnenpretje”. “Ah toe,” dringt zijn buurvrouw aan, “we moeten elkaar toch een keertje beter leren kennen, vind je niet?” Ze kijkt hem vanonder haar wenkbrauwen aan, een beetje smeltend, zo lijkt het. Een stroomstoot schiet door Hoofd. Het Teken! “Nou, eh,” hakkelt hij, “zie je, eh. Ik weet het niet eens meer,” en hij probeert er charmant bij te lachen. Ze doopt afwezig een stuk brood in het braadvocht. “Jij dacht aan...,” begint ze langzaam, langgerekt. “Ja, waar dacht je aan,” zegt ze dan, sneller. “Ik heb geen flauw idee. Het enige wat ik kan bedenken is aan een kip die op één poot broodkruimeltjes probeert te pikken maar steeds omvalt. Zou je daarom moeten lachen?” Hoofd denkt even na. “Ja,” zegt hij dan, “dat lijkt me best een grappig gezicht”. Eleonora bestraft hem speels. “Foei,” zegt ze met een vingertje in de lucht. “Dat is helemaal niet leuk, maar zielig voor die kip!”. Hoofd knikt en zegt enthousiast: “Gelukkig is ze nu uit haar lijden verlost”.
Eleonora had geen belangstelling voor het wijnrek. |
| < Vorige |
|---|