spacer.png, 0 kB
spacer.png, 0 kB
Nieuwste posts
Hoe Frederik monnik werd  E-mail
Monday 26 February 2007
Onderstaand verhaal is het resultaat van hernieuwde lectuur van Louis-Ferdinand Céline (Dood op krediet, vertaling Frans van Woerden, Meulenhoff, 1979). Wat een stijl heeft die man! En wat een originele manier van met de meest diepgravende onderwerpen op de proppen komen, zonder dat het gaat vervelen. Eindeloze scheldkannonades, vol inventief gevloek en getier, vuurt hij in staccatto op de lezer af, vol puntjes en uitroeptekens. Dat wil ik ook proberen! Volgens mij is het nog best gelukt. Moet er nog gewezen worden op het fictieve karakter van verhalen, en de faux-pas van het betrekken van het verhaal op de schrijver ervan? Dan bij deze.

Hoe Frederik monnik werd

 

Frederik dwaalt doelloos door de straten van zijn stad. Het is nacht en zijn blik is gericht op de nat glimmende keien vlak voor zijn voeten.

Frederik is zijn huis voorbij gelopen, want hij moest nog wat verder wandelen. Alleen wandelen houdt het hoofd helder en helpt tegen het malen.

Hij is een paar keer afgeslagen om van de hoofdwegen af te blijven. Frederik wil geen andere mensen om zich heen. In zijn schedel bonkt en raast het.

Donkere vensters kijken hem zwijgend op de rug. De ramen veroordelen hem niet, ze minachten alleen. De mensen in die huizen zullen hem veroordelen, morgen, als de zon opkomt en ze zich weer naar hun werk spoeden. Maar dan zal Frederik slapen. Hij zal er niks van merken, en als hij het wel merkt, dan zal hij op ze spugen. Hij heeft lak aan wat de mensen wel niet zullen denken.

Maar de ramen baren hem zorgen. De binnenstad is oud, heel oud. Hoeveel Frederikken zijn er al niet onder deze ramen langs geslenterd, met kloppend hart en zonder doel? De mens leert nooit. De huizen weten dat, maar hun bewoners zullen oordelen, telkens weer. Ze willen maar al te graag iemand om in de drek te douwen, dezelfde drek waar ze zelf in wroeten, zodat ze zich aan hem wat kunnen optrekken. Slijmerige onderkruipers zijn het, nooit te bedonderd om een ander dood te drukken als dat zo uitkomt. Voor hun vreten doen ze alles, die zwijnen, want als ze te vreten hebben hoeven ze zich niet zo godsgruwelijk te vervelen.

Vreten en voortplanten, dat is de enige zin van het leven. Daar draait het allemaal om, en de rest is bijzaak. Ja, als je te vreten hebt en paar koters, dan heb je dus niks meer om je sappel om te maken. Dan komt de verveling. Maar daarvoor... pfoe!... Sturm und Drang!... woelen en razen, knokken dat het een aard heeft... anderen besodemieteren bij het leven... omdat het moet! Omdat dat in onze natuur zit! Instinct! Pfah!

Frederik spuugt op straat.

En als je nou nog een kerel bent, dan is het allemaal nog niet zo erg. Dan richt je je pijlen op het vreten. Jagen!... Achter het voer aanrennen!... Hoe meer te kanen je binnen sleept, hoe beter!... dan valt er ook nog voldoende te neuken, want dat vinden de vrouwtjes mooi, zo’n stoere jager! Effe je kwakkie lozen en wegwezen maar weer! Sorry schat, het vreten roept!... Da’s niet zo erg! Er moet toch ook wat te bikken zijn, nietwaar? Maar die vrouwen! Dat is een ramp! Die moeten negen maanden opzwellen en dan ook nog hun hele leven zorgen voor hun gebroed! Instinct! Jawel! Als ze dan dus hun jager in hun bed hebben doen ze er alles aan om hem te strikken! Dat belooft wat... Alle dagen vreten! En kinders die het ook wel zullen rooien! Want kinderen, die komen er, geheid, daar zorgen ze wel voor! Effe niet opletten en het is van ‘sorry schat, ik ben zwanger! Ik snap het ook niet!’ En dan moet je er nog voor gaan zorgen ook zeker? Alsof je erom gevraagd hebt! Alsof je daarop zit te wachten! Blijde verwachting? Pah! Machtsspelletjes! ‘Blijf bij mij en ga nooit meer weg!’.

Frederik wil best bij iemand blijven en nooit meer weggaan, maar niet als het moet. Niet als hij gedwongen wordt. Hij spant alle spieren in zijn lichaam tot het uiterste en wacht tot het bloed hem in de slapen klopt. Niet als hij erin geluisd wordt! Godskolere nog aan toe! Valse, smerige wijven! ‘Ik ben zwanger’? Laat het weghalen! Laat je nakijken! Natuurlijk! Je instinct vindt het niet leuk! Maar ik wil er niks mee te maken hebben! Geen reet! Wat kan mij zo’n vormeloze klomp cellen schelen? Geen ene mallemoer! Zo! Daar! Ja, als het groeit, als het een mens wordt, dan is het wat anders... Daarom moet er ingegrepen worden! Meteen! Voor het te laat is! Voordat er een mens geboren wordt waar helemaal niemand op zit te wachten! Een product van niets dan instinct! Slachtoffer van de hormonen die ie z’n moeder ingespoten heeft, bij stralen tegelijk!... ‘Ik kan het toch niet vermoorden,’ zei ze... Rot toch op! Het is niks! Een week hoopje drek... Niet eens met het blote oog te zien! Een nieuw klompje cellen is zo gemaakt! Met iemand om wie je wel geeft! En hij om jou, wat dat aangaat!... Smerig takkewijf!... Een andere stoere jager! Die een dochter of een zoon met je wil opvoeden! Voor wie hij eindeloos wil zorgen! Kromliggen! Maar ik niet! O nee!

Frederik loopt en loopt. Hij heeft een meisje zwanger gemaakt. Zegt ze. En ze wil het laten weghalen. Zegt ze. Maar ondertussen zat ze maar door te zagen over dat ze het zo erg vindt en dat ze het niet kan. Hij is ten einde raad. Het is haar schuld. Ze heeft het erop toegelegd. Van A tot Z. Hij weet het zeker. Ze wilde een kind van hem, jazeker. Instinct. Maar hij was dronken, straalbezopen... Dan kijk je niet goed uit...En dan grijpen ze hun kans... En daar zit je dan... Met de gebakken peren... ‘Moeder, je wordt binnenkort oma’... ‘Zus, je wordt tante’... En met wie? Met wie? Eén of andere vage bekende! Die zo uitgekookt was je mee te nemen uit de kroeg! Op de toppen van haar eisprong! En zich vervolgens laat bevruchten! ‘Nee, ik heb geen ziektes hoor, laat dat rubber maar zitten!’ Godverdomme! Heeft ze dan geen hersens in haar kop?

 

Ach, die arme Frederik. Hij zit lelijk in de penarie, zoveel is zeker. De mens leert nooit. Het verhaal is bijna gedaan, maar het zit er dik in dat ook Frederik, mocht zijn bestaan zich over vele pagina’s uitstrekken, opnieuw de fout in zal gaan. Dat lot zullen we hem maar besparen. Hij heeft het al zwaar genoeg, en bovendien krijgt hij nog iets voor zijn kiezen voor het uit is:

 

...Ze is zo dom! Hoe kon ze het zo ver laten komen? Eén brok instinct! Gevaarlijk instinct! Wat heb je aan nageslacht wat je niet eens zelf groot kan brengen? Is het gevoel dat je genen ergens rondbanjeren soms al genoeg? Ik pas! Pak de breinaald maar! Weg ermee!

Frederik recht zijn rug. Hij heeft haar gezegd dat hij er niets mee van doen wil hebben, dat het haar schuld is. En dat is het ook, vindt hij. Zijn naam is haas, punt uit, en is ze nou helemaal van de ratten besnuffeld? Klaar!

Hij haalt diep adem en kijkt om zich heen. Alles lijkt anders, nieuw. Het lijkt alsof de zorgen van hem af spoelen. Nee, alsof er een groot sleepnet door zijn hoofd gehaald wordt, het sleepnet van met beide benen op de grond staan. ‘Ik ben hier en nu,’ zegt hij hardop, ‘en daarbuiten is er niets wat met mij te maken heeft’. Even zweeft hem een beeld voor ogen van een embryo in een baarmoeder, rood en geel, bloed en pis, maar het sleepnet vangt het weg – zijn hele brein wordt schoongeveegd, hij voelt het, en het net vol zorgen wordt strakker en strakker aangetrokken, tot het niet groter is dan een punt, comfortabel opgeborgen vlak onder zijn kruin.

Hij rilt: het is koud. Tijd om naar huis te gaan.

 

Frederik ontwaakt de volgende ochtend fris. Hij heeft heerlijk geslapen. Als hij zich omdraait, ligt er op het kussen een flinke pluk haar. Hij betast onwillekeurig zijn hoofd. Op zijn kruin zit een grote kale plek, het tonsuur van een monnik.

 
< Vorige   Volgende >
spacer.png, 0 kB
spacer.png, 0 kB
 
Joomla Template by Joomlashack
download joomla cms download joomla themes