| Morgen wordt alles duidelijk |
| Wednesday 09 January 2008 | |
|
"Morgen wordt alles duidelijk" is niet bedacht. Het kwam er zomaar uit, op een avond toen ik zin had om te schrijven. Als morgen inderdaad alles duidelijk wordt, dan haal ik de hele tragedie weer weg. Maar dat denk ik niet.
Update: Alles is duidelijk, maar het is geen reden om het verhaal weg te halen. Moeha. U wilt duiding? U krijgt het niet. Laat ik zeggen dat dit verhaal een miniatuur-tragedie is, dat de mens gevangen is op het onberekenbare snijpunt van impulsen en dwalingen dat bewustzijn heet en dat wat wij communicatie noemen de verwarring alleen maar groter maakt. Morgen wordt alles duidelijk
1. Jonas en de wallevis verlaten iets meer dan licht beneveld en gearmd de kroeg. “Koud,” huivert de wallevis. “Wil je mijn jas,” zegt Jonas. “Nee dank je,” zegt de wallevis, en ze schurkt zich tegen Jonas aan. “Gelukkig maar,” zegt Jonas, “het is inderdaad fris.” Ze kennen elkaar nog niet zo lang, hooguit een paar zinnen. Jonas heeft haar naam niet zo goed verstaan, want het was erg lawaaiig in de kroeg. Maar ze hebben samen op de tafels gedanst, de ogen van de mensen maakten haar dronken en haar draaiende heupen hem. Ze zoenden, midden op de tafel. Jonas’ vrienden joelden. Jonas kende hen niet meer. Nu gaan ze naar het huis van Jonas. Marieke vindt Jonas nu niet direct haar prins op het witte paard, maar leuk is hij wel. Afgezien van zijn eigenliefde dan. Maar die krijg je er vrijwel altijd bij. “Neem je vaak meisjes mee naar huis,” vraagt Marieke. Jonas fronst. Alle vrouwen zijn hetzelfde. “Nee, hoezo?” Marieke manoeuvreert zich wulps voor hem, drukt haar borsten tegen hem aan. “Jammer,” kirt ze. Hoe diep ze moet zinken om de situatie te redden. Jonas kijkt haar een seconde aan en zoent haar dan. Ze smelt, drukt zich tegen hem aan, arm in zijn nek. “Het is niet ver meer,” zegt hij na enige tijd, een kraakje in zijn stem. Ze lopen verder. Waarom noemt hij haar eigenlijk de wallevis? Ze is best lekker. En heet. Zo worden ze niet veel gemaakt. Hoe heeft hij dit nou weer voor elkaar gebokst? Waarom hij, en niet die lange donkere jongen bij de bar? Die is eng, besluit ze nogmaals. Hij had iets onguurs over zich, met die schemerende stoppels. Tikje te bleek: drugs. Nee, deze Jonas, daar zal ze strakjes warm opgerold tegenaan kunnen liggen terwijl de wereld niet bestaat. Misschien maakt hij zelfs ontbijt. We zijn er nog niet. Straks begint ze over haar vriendje te jeremiëren. Of wil ze vrienden worden. En hij weet verdomme haar naam niet. Ergens is het laag. Andere kant: ze is er zelf ook bij.
2. Jonas en Marieke lopen een hoek om, een steegje in. Aan de muur links hangt een natriumlamp in gloednieuwe antieke behuizing. De lamp werpt misselijk oranje licht. Een grauwe gloed spookt door de bomen achter de muur aan de andere kant van de steeg. Ze rilt onwillekeurig. Wat doen ze hier? “Ik woon daar.” Jonas wijst naar een deurtje voorbij de lamp. Van de muur springt een gedaante. De wallevis schrikt. “En dat is mijn kat,” zegt Jonas. Waarom noemt hij haar toch de wallevis? Toen Jonas in de wallevis zat, ja, die kennen we onderhand. Die zou hij morgen op het veld wel weer mogen aanhoren. Ze is opeens niet meer zo happig op Jonas. Het is hier niet goed. Die kat deed het hem. Waar stort ze zich nu weer in? Wallevis, wallevis, echoot het in zijn hoofd. Hij bijt op zijn kiezen en zoekt zijn sleutels. Ze staat er wat verloren bij, ziet hij uit een ooghoek. Iets doen. Wallevis, wallevis. Wat doe ik hier? Jonas omarmt Marieke, zoent haar onhandig. Wat een moment. Ze wil naar binnen, weg uit deze steeg. Nu moet ze wel bij hem blijven. Voor geen goud gaat ze hier bij nacht nog naar buiten. Zeker niet alleen. “Jonas, ik heb het koud,” kermt ze plagend. Wallevis, wallevis. “Ik..,” sputtert Jonas. Doordringend kijkt ze hem aan. Wallevis...Jonas in de? Godverdomme! Ze verstijft. Hij kan niet meer terug. “Ik weet je naam niet meer.” Jonas voelt zich gecastreerd. Wat een afgang. Had je muil gehouden, bokkenlul, denkt hij. Te laat. “Marieke,” zegt Marieke. Ze probeert niet gereserveerd te klinken. Hij neemt nooit meisjes mee naar huis, dat is wel duidelijk. Was dat stijf, vraagt hij zich af. Was dat afwijzend? Wat nu? “Maak je die deur nog open? Het wordt er niet warmer op.” Ze zoekt naar het quasi-klagelijke toontje. Jonas glimlacht ongemakkelijk. “Jawel, mevrouw." Zijn stem beeft. "Terstond, mevrouw.” Verdomme. Kijk de stakker zoeken naar zijn sleutels. ‘Ik ben je naam vergeten’. Eigenlijk vindt ze hem wel aandoenlijk. Schattig. Perfect: ze vergeet het steegje, ze vergeet de wereld, bijna, terwijl ze naar hem kijkt, zoekend. Bijna. “Marieke,” zegt Jonas, “ik ben mijn sleutels kwijt”. “O,” zegt Marieke. “En nu?” Wat nu? De kou weer in? Jonas is ten einde raad. De vernedering. Ze moet hem inmiddels haten. Ze laat niks merken, maar als ze onder haar vriendinnen is zullen ze zich urenlang bescheuren. Alle meisjesogen van de stad zijn vanaf nu verdacht. Een vonkje spot misschien? Dat moet hem gelden, hem alleen. Waarom doet hij zo moeilijk? Straks barst hij in huilen uit. Godverdomme. Schattig? Een natte dweil is het. “Jonas...” “Ja,” zegt Jonas, en er zit inderdaad een klein snikje in zijn stem. Mijn god, denkt Marieke, wat doe ik hier. “Jonas, je bent je sleutels kwijt, nou en,” zegt Marieke. Doe iets geks, denkt ze erbij. Klim over de muur. Zeg dat we teruggaan naar de kroeg. Sta daar niet te simmen. “Ik ga terug,” zegt Jonas dun. Alles is verloren. Ze zullen hem uitjouwen, straks, morgen op het veld, en volgende week. En de meisjes met hun spotogen. Wallevis, wallevis. “Ja, doe dat. Misschien ben je ze onderweg verloren,” zegt Marieke. “Wie weet,” zegt Jonas, en begint haastig terug te lopen. “En ik dan,” vraagt Marieke, met een sprankje hoon dat hij niet lijkt te horen. “Doe wat je wilt. Loop mee, ga naar huis, ik weet het niet,” klaagt Jonas. “Als het zo moet dan ga ik wel,” zegt Marieke. Wát een ongelófelijke sul. Ze loopt in de tegenovergestelde richting, hoewel ze geen idee heeft waar ze heen gaat. Ze ziet wel.
3. Jonas loopt, zoekend, inwendig bittere tranen wenend, menend dat de maat van zijn eigen zonden vol is in de ogen van alle vrouwen en dat thans zijn mannelijkheid verwoest zal worden. Jonas is namelijk altijd erg gehecht geweest aan de connotaties die zijn naam oproept. Tot nu, want nu keren ze zich een voor een tegen hem. Alleen die vernietiging nog. In Jonas’ schimmige brein – hij is feitelijk best dronken – spelen zich allerlei duistere taferelen af, in de meeste waarvan het Zusterschap van alle vrouwen een doorslaggevende rol speelt. Het Zusterschap is uit op zijn vernietiging want de maat van zijn zonden. Wallevis. Jonas in de. Toen. Mooi was die tijd.
4. Jonas’ vrienden treffen hem gedrapeerd over een tafeltje voor de kroeg. “He Jonas,” brult er een, “nog geneukt?” Jonas slaapt. “Toen Jonas in de wallevis zat,” zet een ander in, en al gauw galmen alle vrienden van Jonas met rauwe stemmen het liedje over het plein. Jonas probeert zijn oren te bedekken met zijn handen. Hij wil het niet horen. Hij heeft hoofdpijn. Zijn vrienden sleuren hem overeind en slepen hem mee, lachend, schreeuwend. “Kom Jonas, gaan we naar huis, hoogste tijd.”
5. Als de groep joelend het steegje in draait stokt de voorste zijn pas. De rest komt ook tot stilstand. “Kijk nou,” roept de voorste. Het is even stil. “Verrek, de wallevis,” roept een ander achterin. Ze brullen het uit. Onder de lamp hurkt Marieke tegen de muur, grauw in het oranje licht. Ze draait voor Jonas’ ogen, ziekelijke kleur. “Ma... Marieke,” stamelt hij, en hij waggelt op haar toe. Ze kijkt op, haar ogen rood omrand van het huilen. “Wat is er gebeurd,” vraagt hij, misselijk en helder nu. “Niks,” zegt Marieke, en ze duikt weg in haar armen. “Wat doe je hier,” vraagt Jonas. Ze haalt haar schouders op. Jonas’ vrienden kijken van een afstandje toe, joelend en aanmoedigende geluiden makend. “Marieke, alsjeblieft,” zegt Jonas. Een van de vrienden brult. De rest valt in. Hij draait zijn rug naar ze toe. “Ik wil naast je slapen,” snikt Marieke. Jonas is van zijn stuk. Wat moet hij hier nou weer mee? Zijn vrienden achter hem zijn rustiger nu. Opeens voelt hij een hand op zijn schouder. Het is een van hen, Arjan. “Rustig aan kerel,” zegt Arjan, met een kegel. “Rustig nadenken”. Jonas duwt hem ruw weg met zijn schouder. Geloei uit de rest van de groep. Arjan sluit zich weer bij hen aan, zwakjes sputterend. “Marieke?” “Laat me naast je slapen.” “Waarom, Marieke?” “Ik wil niet alleen zijn vannacht.” Jonas draalt. Wat betekent het allemaal? “Goed dan.” Hij reikt haar een hand. Die neemt ze aan. Hij helpt haar overeind. “Heb je je sleutels,” vraagt Marieke. Zijn sleutels. Jezus Christus. Hij maakt een woedend gebaar. Gejoel van zijn vrienden, en rinkelend vliegt zijn sleutelbos op hem af. Arjan zet het wallevis-lied in. De rest brult van het lachen. Jonas is woest. Hij draait zich om. Twee van de vijf staan tegen de muur te zeiken, gebroederlijk naast elkaar. Twee anderen rollen een joint, geleund tegen de muur. Arjan strekt zijn hamstrings alsof hij nooit anders heeft gedaan die avond. “Arjan,” brult hij, “jij vuile rothond dat je er bent. Je steelt mijn sleutels en komt vervolgens doodleuk de vriend uithangen. ‘Rustig aan’, me reet. Vervolgens gooi je ze naar mijn hoofd, en ligt de dader op het kerkhof.” “Dus,” zegt Arjan onbewogen. Zijn quadriceps zijn aan de beurt, hij wankelt. Jonas is overdonderd door die vraag. Wat is er eigenlijk allemaal aan de hand vannacht? Niets. Helemaal niets. Naar binnen met Marieke en morgen weer een dag. Hij draait zich om naar Marieke. Ze staat geleund tegen de deur van zijn huis, rug naar hem toe. “Marieke, laten we naar binnen gaan.” “Wil je niet weten...?” “Nee, Marieke. We gaan naar binnen.” Terwijl Jonas de deur openmaakt haalt ze haar schouders op. Vanavond heeft ze een dak boven haar hoofd, vanavond hoeft ze niet te slapen met een oog open voor de junks met hun besmette naalden. “Waarom wil je zo graag bij mij slapen? Ik heb het verbruid.” “Het geeft niet, Jonas,” zegt Marieke, “het geeft niet.” Waarom doet ze dit? Waarom denkt ze dit soort dingen? Ze weet het niet. Ze wil alleen maar slapen. Morgen is alles goed en duidelijk. Ook Jonas wil alleen maar slapen. Morgen komen de verhalen, denkt hij. Morgen wordt alles duidelijk. Morgen. |
| Volgende > |
|---|






