| Er is nog hoop in Neêrlands letteren |
| Monday 31 December 2007 | |
|
Hermans dood, Reve dood, Wolkers dood, Vestdijk vergeten, onafzienbare stapels non-fictie en allerlei non-literatuur vol hoogstpersoonlijke ellende – de liefhebber van het goede boek komt er in Nederland bekaaid af. Maar gelukkig: temidden van de rokende puinhopen van een ooit bloeiend letterkundig landschap blijft nog één schrijver overeind die wél kan schrijven en het daarbovenop nog doet ook, in dikke pillen van heb ik jou daar. Als u denkt, wie kan dat nou zijn, dan vraag ik u onder welke steen u heeft gelegen, want het was wel degelijk A.F.Th. van der Heijden die in 2007 de AKO-prijs won. Nu zegt dat niet zoveel en het was dan ook zeker niet de reden dat wij dat boek een paar dagen terug in huis haalden, nee, het eerste boek in de cyclus waarvan Het schervengericht deel uitmaakt, De Movo tapes, was ook al buitengewoon goed bevallen. Deswege deze aanschaf.
Van der Heijden heet volgens de kaft slechts A.F.Th. Toen de schrijver een paar jaar geleden voortaan slechts zijn initialen te gebruiken op zijn boeken, viel heel Nederland over hem heen. De arrogantie! Hoe durfde hij! Dat kennen we natuurlijk nog wel van Mulisch, die zich in De procedure (1999) voor de ongeoefende lezer regelrecht op één lijn stelde met JHWH – God, dus. Hoe bestáát het, galmde het vanuit de provincie, die Nederland nu eenmaal is en altijd blijven zal – maar niemand die zich in ernst afvroeg waarom beide schrijvers zulke drieste stappen zetten. Literatuurcollege in één alinea: Mulisch stelt de verteller van het boek inderdaad op één lijn met God. Dat is een centraal thema in zijn hele werk, waarop hij in De procedure nog dieper ingaat. De verteller schept de romanwereld door middel van het woord, zoals God volgens sommigen de wereld schiep met het Zijne. Let op, een nieuwe alinea: A.F.Th. maakt gewoon gebruik van de herkenbaarheid van zijn initialen. De letters zijn nog net geen beeldmerk – noem het een typografisch en auditief logo. Zeg ‘A.F.Th.’ en opmerkelijk veel mensen weten: dat is die dikke Amsterdamse Brabander die dikke jolige boeken met pretenties schrijft. U ziet: wij gunnen ieder zijn mening, hoewel wij ons het recht voorbehouden degene wiens mening ons niet aanstaat met de grond gelijk te maken met de stoomwals van ons woord. Zeg ‘Shell’, toon een geel met rode schelp, en de mensen weten: Koninklijke Olie/Shell. Mensen die bij de tijd zijn weten zelfs: Royal Dutch Shell. Dáár gaan we tanken, want dat kennen we. Zo werkt A.F.Th. ook een beetje. Letters tanken bij de vleet, mét airmiles, want Het schervengericht speelt zich af aan de Amerikaanse Westkust.
Vanaf de eerste pagina is het ontegenzeggelijk raak. Van der Heijden schrijft filmisch, boordevol subtiele humor en tegelijkertijd vlakbij en superieur gedistantieerd van zijn personages. Maar voordat wij vervallen in meer tamelijk nietszeggende opmerkingen over de eerste honderd pagina’s die wij achter de kiezen hebben na één korte avond, willen wij u gewoon een briljante passage van vele voorschotelen. Een kleine toelichting is wellicht op zijn plek. Dit is een apart hoofdstuk, het begin van een nieuwe scène, geplaatst tussen een doorlopende andere scène met andere hoofdpersonen daar in de buurt. De “ik” heet Spiros, maar is eigenlijk de Griekse god Apollo. Nee, dat zijn geen diepgravende theorieën, dat zegt hij zelf. Hij zegt ergens dat hij niet zijn hele leven gevangenisbewaker in de gevangenis van Choreo, bij Los Angeles, is geweest, maar ook veel gedaan heeft in de belichting van toneelstukken en films. In De Movo tapes reutelt de verteller maar door over hoe hij als Apollo altijd verantwoordelijk was voor de belichting van het wereldtoneel waar de menselijke tragedie zich afspeelde. Dus. Dus? Genoeg gezwateld, lezen.
“’Spiros, wat zit je toch aldoor te draaien,’ zei mijn chef, die met de ellebogen op het stuur geleund naar zijn Onafhankelijkheidsei zat te turen. ‘Het is dat rottige uniform, Mr Carhartt,’ zei ik. Het blikken ei, uitgevoerd in het motief en de kleuren van de Amerikaanse vlag, stond een eind voor de bumper in een ondiepe asbak op het asfalt, vlakbij de neergelaten slagboom. ‘Nu voor de laatste keer, Spiros,’ zei Carhartt. ‘In Choreo noemen we elkaar bij de voornaam. Het is Ernie.’ De man trok zijn hoofd tussen de schouders, en probeerde via het fijnmazige traliewerk van de voorruit naar de hemel te kijken. ‘Eh...Ernie, misschien moet het ei nog een keer opgewonden.’ ‘Dacht je?’ ‘Ik hoor niets meer.’ Carhartt opende het portier. Ik luisterde met hem mee. Alleen zacht gelach en gepraat van slaperige persmensen aan de andere kant van de slagboom. In het kampement werd een houten tentharing de grond in geramd, met een hikkend antwoord van het gebergte op elke slag. ‘Wel, verdomme.’ Bij het uitstappen nam hij zijn kleine fotocamera van het dashboard, want je wist maar nooit. Hij hing de riem om zijn hals, haalde een blikken sleutel tevoorschijn, en stak die onderin het ei. Al na een paar slagen bracht het ding een ijl, metalig geluid voort, dat met enige fantasie als de roep van een hees kuiken kon worden geduid. Carhartt, die zijn ei weer op de grond had gezet, speurde met neergetrokken mondhoeken de lucht af, vooral die boven de bergkam. Tussen onze stoelen stond nog de verpakking van zijn speeltje. Ik viste er de gebruiksaanwijzing uit, en las: ‘Ter gelegenheid van 200 jaar Onafhankelijkheid ontwierp de eierkunstenaar Charles van Deusen, ook bekend als The Egg Man, het “Ei van Washington”. Na opwinding brengt het de kreet van een adelaarsjong voort. Wie hier, bijvoorbeeld na plaatsing van het ei in de achtertuin, een volwassen moederarend mee naar zich toe weet te lokken en daarvan een fotografisch bewijs kan leveren, ontvangt een bedrag van $ 25.000...’ Carhartt klom terug de bus in. Het ei kermde nog. ‘Met permissie, Mr Carhartt, hoe komt u aan dat souvenir?’ ‘Vorig jaar op vier juli van mijn vrouw gekregen. Het is Ernie.’ ‘In sommige culturen, hoog in de Himalaya, is het heel gewoon als een weduwe haar man aan de roofvogels voert.’ ‘Ik blijf het maar proberen. Je zou toch zeggen, zo’n garantiebewijs, als dat voor de echtheid van het geluid instaat... Stil ‘s.’ Hij luisterde ingespannen naar de stem van het adelaarskuiken, en draaide zich daarbij in allerlei bochten om de duikvlucht van de moeder niet te missen. De camera bleef op scherp. ‘Als jij zo met je billen zit te schuren, Spiros, hoor ik niets. Uniform te krap? Had meteen de goede maten opgegeven.’ ‘Niet te krap, niet te wijd. Het zit gewoon niet lekker. Stijf. De naden drukken in mijn vel.’ ‘Nieuwigheid,’ wist mijn chef. ‘Dat van mij draait al jaren in de was mee. Ik voel niet eens meer dat ik het aanheb. Soepeltjes als een pyjama.’ ‘Jij hebt daar een vrouw voor.’ ‘En jij, Spiros... gescheiden?’ ‘Nee. Twee kinderen, dat wel.’ ‘Weduwnaar.’ ‘Ook dat niet.’ ‘Ik geef het op.’ ‘Een man kan ook kinderen hebben, Ernie, zonder getrouwd geweest te zijn.’ ‘Nou je ’t zegt. Hoe oud zijn ze?’ ‘Vier en vier. Jongetjes.’ ‘Een tweeling.’ ‘Ja en nee.’ ‘Spiros, op mijn nuchtere maag. Doe me een lol.’ ‘Het ene woont in Amsterdam, het andere in Rotterdam.’ ‘Dan is de tweeling dus uit elkaar gehaald.’ ‘Ze groeien op bij verschillende ouderparen, als je dat bedoelt.’ ‘Precies,’ zei Carhartt grimmig, ‘en jij hebt geen ene moer meer over je eigen kinderen te vertellen.’ ‘Toch wel.’ Ik stopte de gebruiksaanwijzing terug in de doos. ‘Ernie, ik wil niet afdoen aan het liefdevolle gebaar van je vrouw, maar... die ontwerper, Charles van Deusen of hoe spreken jullie de naam hier uit, die heb ik tien jaar geleden in San Francisco als een grote charlatan leren kennen.’ ‘Hij heeft rond het bicentennial miljoenen van die adelaarseieren verkocht. Een genie.’ ‘In San Francisco handelde hij in alles wat los en vast zat. Als het maar clandestiene waar was. Illegale plaatpersingen, stenen van Alcatraz, Hollandse snijbloemen ver over de datum... Geniaal, inderdaad.’ Carhartt keek woedend opzij. ‘Spiros, ik heb die man in de talkshow van Jeffrey Jaffarian gezien. Welk jaar weet ik niet meer, maar het was in de paastijd. Hij had allerlei zelfdraaiende eieren bij zich... vol elektronica. Om dol van te worden. Mijn televisie ging ervan op de loop. Hij blies rook over een ei, en het tolde rond. Een ander ei, met ingebouwde inbraakdetector, blafte als een waakhond. Een genie, die man. Hij verklaart de wereld uit de eivorm.’ Verleden zomer had ik hem voor ’t laatst gezien, The Egg Man, op een Amsterdams caféterras, met een schreeuwende gans onder de arm – een ei in levende verpakking, zeg maar. ‘Eeuw in eeuw uit,’ riep hij naar de mensen, ‘blijven de vogels maar hulde brengen aan de wereld... door de vorm van de aarde zelf uit hun achterste te persen. Hard van buiten... zacht van binnen. Wammes hier is een beetje van de leg, maar ik zal jullie het laten zien.’ Van Deusen vroeg de ober om een ie en een plat bord. Het gevraagde werd hem gebracht. Hij streelde in verrukking de schaal. ‘Kijk, twee verschillende koepelmodellen, die naadloos in elkaar overgaan. Een dubbelmaquette, maar je kunt hem niet neerzetten. Alleen laten tollen.’ Hij liet het ei over het bord draaien en dansen, maar raakte uit z’n humeur bij de ontdekking dat het hardgekookt was. ‘Ober, een rauw ei graag. Dat tolt beter. De dooier werkt dan als evenwichtskogel.’ ‘Geen struif op m’n terras.’ The Egg Man zag er verzorgd uit, met zijn gleufhoed, rijlaarzen en scherp bijgeknipt baardje. Toch dachten cafébezoekers wel dat hij zijn kunstje voor geld vertoonde. Het tollende ei liep nogal eens vast in de munten op het bord. Van Deusen gold als enige Amsterdamse terrasartiest die begon te vloeken als hem geld werd toegeworpen.”
En hup, nieuw hoofdstuk, terug in Amerika, terug in het verhaal. (Ja, ook The Egg Man hoort erbij, maar dat zoekt u zelf maar uit.) Soepel, lichtvoetig, maar allerminst richtingloos, ook al duurt het vermoedelijk nog tien jaar voor de cyclus af is. Gelukkig maar, zeggen wij erbij, want wie zulke scènes verzint mag blijven.
|
| < Vorige | Volgende > |
|---|











