| Uit de Moleskine: “9:05 – ontbijt. Niks bijzonders, behalve dan die rijstdingen die er liggen. Eerst even een bodempje leggen met brood. Het is immers 2:05 a.m. en ik heb HONGER! Wat betreft die jet lag, de gordijnen open doen was raar. Waar is de nacht? Overal om me heen tettert het personeel met hoge stemmetjes de hele tijd goedemorgen. Om gek van te worden. Hou je smoel! Maar de Japanners zelf besteden er totaal geen aandacht aan. Ze kijken niet eens. Nou, dan ik ook niet! Dat scheelt weer. Het ei is tot op beangstigende diepte groen gekookt. |
| Ik merk dat ik behoefte heb om te communiceren. Ik praat met mijn opschrijfboek. Wat eten Japanners voor ontbijt? Ultieme plakrijst met kastanjes. Of ultieme plakrijst met zeewier en iets zoets. Mafkezen zijn het. Bovendien geven Japanners het begrip liftmuziek geheel nieuwe inhoud. De liftmuziek is zulke liftige liftmuziek dat... dat... woorden schieten tekort. De enige bevredigende oplossing zou zijn de lift in de koker te pletter te laten storten, maar dat stuit op praktische bezwaren van levensbedreigende aard.” |
Het was zaterdag en ik had de hele dag niets te doen. Ik verliet om half tien het hotel. Het was heet op straat, de zon scheen door een dampige floers. Geen wind. Het zweet brak me uit. iets is vreemder dan in de hitte en de zon lopen als het voor je gevoel half drie ’s nachts is. Ik ging zitten op het muurtje schuin tegenover het hotel en pakte mijn Japans-boek. Het eerste wat moest gebeuren was een hotel vinden voor de volgende nacht. Dan was ik in elk geval mijn koffer kwijt en verzekerd van een plekkie. Maar de kans was aanwezig dat het personeel van andere hotels dan de Best Western Comfort Inn geen Engels zouden spreken. Dus moest er gestudeerd worden, en flink. Om thuis te proberen in drie stappen. Stap 1. Zeg de volgende zin vriendelijk glimlachend en op een redelijk tempo zonder je tong te breken. Sumimasen, Kyoh tomaritai-n-desu ga, heya wa aite arimasu ka. Stap 2. Anticipeer het antwoord. Verwacht geen eenduidig “hai” of “i-eh”. Stap 3a. Indien u vermoedt een positief antwoord te hebben ontvangen, vraag, onder dezelfde condities als stap 1, doch waarschijnlijk met toegenomen nervositeit, het volgende: o-nedan wa, ikura desu ka. Stap 3b. Vermoedt u een negatief antwoord, knik veel, bedank. U kunt verder. Stap 3c. Vermoedt u een negatief antwoord, maar heeft u nog genoeg ballen in uw broek om door te gaan, zeg dan onder dezelfde condities als stap 1: hoteru wa, denwa o shimasu ka. Nee echt, zonder dollen, het is een stuk makkelijker om te vragen of je hier vanavond mag pitten, hebbu nog een kamer vrij, zo ja, wat kost dat, zo nee, kunt u effe een ander hotel bellen. Maar ja, ik was er toch, dus dan maak je er ook wat van, en na een half uur, drie sigaretten en flink veel zon op m’n bol ging ik op pad. Badhuis Niet voor lang, want bij het volgende blok was het al raak. Hotel Cabinas, stond op onwaarschijnlijk lange banieren aan de gevel. Een echt capsulehotel! Ooit, vijftien jaar geleden, verslond ik het populair-wetenschappelijk tijdschrift Kijk. Daarin stonden vaak Japanse snufjes en dingetjes, want ook toen al waren de Japanners gek. Eén van de dingen die me bijstaan, is het capsulehotel. In plaats van een kamer krijg je een soort buis om in te pitten, van alle gemakken voorzien, airco, tv, noem maar op. Futuristisch en efficiënt. Dat wilde ik wel eens zien, besloot ik toen, ooit. En ziedaar, ik stond er voor de deur. Naar binnen! Ik liep naar binnen en ging met mijn koffer in de aanzienlijke rij voor de receptie staan. Nu al een rij? Tien uur ’s ochtends? Maar voordat ik er over na kon denken, viel me iets anders op. Iedereen stond op zijn sokken, schoenen in de hand. Wat! Ik als een haas terug naar de rand van het hoogpolig tapijt. Schoenen uit, terug in de rij. Wat een vreemde bedoening hier, dacht ik, niet voor de eerste keer overigens. Aan de balie slaagde ik erin mijn voorgekookte zinnetje op te lepelen. Het baliemeisje was verguld. Haar stortvloed van woorden ging keurig langs me heen, maar ze sprak ook Engels. A rittol. Of ik een privé-cabine wou. Nou graag. Prima. U kunt gebruik maken van het badhuis op de bovenste verdieping, maar denk eraan dat u de kleding gebruikt die in uw kamer klaarligt. Tuurlijk. Eh... Na de formaliteiten moesten mijn schoenen in een locker. De sleutel daarvan verdween achter de balie en in ruil kreeg ik een andere sleutel, met een plastic bandje zoals in het zwembad. Ik naar boven met mijn koffer, naar mijn cabine. Maar die cabine was duidelijk beslapen, de dekens op een frots en een slaaplucht. Ik weer terug de lift in, naar beneden (alles op mijn sokken), koffer afgegeven aan de balie en als een haas naar buiten. Rust.
| Ik ging met de metro naar Fukuoka Tower, de futuristische wolkenkrabber aan de baai. Vanaf de metro was het een flink eind lopen door een wijk die half suburb, half zakencentrum leek. Ik zweette als een otter en stierf voor een bakkie koffie. Halverwege stond een soort kleine mall, met grote letters Bon repas op de gevel. Daar was ik wel aan toe. Binnen bleek het een zeer luxueuze supermarkt te zijn. Alle groenten en fruit keurig opgestapeld, met allerlei plantaardige ornamenten ertussen. |
| Het water liep me ervan in de mond. Verderop koelmeubelen afgeladen met oogverblindend opgemaakte kant-en-klare schotels. Sushi, vleeswaren, sashimi (rauwe vis), allemaal veel voor weinig. Een gigantische bak verse vis, de meest exotische soorten, geschikt en geordend als een bloemen vissencorso. Maar geen koffie. | |
| Wel een publiek toilet, dat kwam ook van pas. Natuurlijk weer uitgerust met een unit voor billenwasserij, plus een knopje voor geluidjes om je scheten te maskeren. Zei u kitsch? Volkomen terecht. Bovenop de stortbak zat een kraantje waarvan de afvoer in het reservoir liep. Toen ik thuis was zei iemand me dat dat diende om water te besparen bij het handenwassen. Ik geloof hem niet. Volgens mij wassen Japanners daar hun lid. Omdat ik mij graag conformeer aan lokale gebruiken waste ook ik mijn lid onder het kraantje. Het water was aangenaam lauw. |
| Ik vervolgde mijn tocht en belandde bij Fukuoka Tower. “Fuk Paal”, schreef ik steevast in mijn boekje. Kortheidshalve, uiteraard. De toegang tot het gebouw was uitsluitend mogelijk via een tunneltje van een meter of tien. Daarin stonden wel 20 vending machines, allemaal met ongeveer hetzelfde erin. Er was geen hond in de buurt. Dat is een reden waarom ik niet geloof dat het kraantje op de spoelbak niet uit besparingsoverwegingen is geplaatst. Binnen werd duidelijk dat Fuk Paal een toeristische highlight is. Tientallen kleine winkeltjes om prullaria te kopen, van prachtig beschilderde flessen drank tot zoetsappige afbeeldingen van allerlei dingen. Waaiers, knuffels, geschenkverpakkingen met onbestemde etenswaren. Doorlopen.
|
|
| Om de toren te bestijgen moesten 800 klinkende Yens afgerekend worden. Maar die had ik niet meer. En toeristische attractie of niet, geen pinautomaat te bekennen. De honger speelde bovendien weer aardig op. Gedoe allemaal! Ik weer lopen, richting de grote gouden koepel een kilometer of wat verderop. Misschien daar...? Onderweg stuitte ik op een postkantoor. Door de ruit zag ik een pinmachien staan, dat trots het maestro-logo voerde: hier kunt u, arme vreemdeling, flappen tappen. |
Het was zeven over half één. Op een zaterdag is dat zeven minuten te laat. Het postkantoor was dicht.
Wist u dat Japanners zelfs in staat zijn Amerikaanse kitsch te kopiëren? Daarover, en over het capsulehotel, en over eten in een echt Japans restaurant, leest u de volgende keer meer.
|