| Voetgangerslicht I - een formeel appel |
| Wednesday 29 April 2009 | |
|
Met deze brief teken ik bezwaar aan tegen de boete die ik vandaag ontving voor het negeren van een rood voetgangerslicht. Mijn argument is precair en daarom zal ik het nauwkeurig uiteen zetten.
Te voet op weg naar het Amstelstation in Amsterdam diende ik de Mr. Treublaan over te steken. Nog voor ik de eerste rijbaan overstak, zag ik aan de overkant twee agenten staan, waarvan één bezig een bon te schrijven voor een fietser. Het voetgangerslicht voor deze rijbaan stond op groen en ik stak over. Vervolgens passeerde ik de agenten, op weg naar de oversteek van de trambaan. Deze trambaan beschikt over een apart voetgangerslicht. Dat was rood, maar er was in geen velden of wegen een tram te bekennen. Omdat ik in de veronderstelling verkeerde dat een rood voetgangerslicht in dergelijke situaties genegeerd mag worden, liep ik door, onder het oog van de agenten. Een dezer agenten hield mij staande en beboette mij voor het negeren van een rood voetgangerslicht. Mijn verklaring, dat ik in de veronderstelling verkeerde dat voetgangerslichten indicatief zijn, hoonde de diender weg, bijgestaan door zijn collega. De wet geldt ook voor mij, hielden zij mij voor. (Lees verder)
Ik ontken op geen enkele manier dat de wet voor mij geldt als voor iedere burger. Tevens onderschrijf ik het uitgangspunt dat iedere burger de wet dient te kennen. Desalniettemin betwist ik de beslissing van de diender in kwestie om mij te beboeten. Ik gaf immers te kennen dat ik in de veronderstelling verkeerde dat voetgangerslichten indicatief zijn. De bron van die veronderstelling kan ik niet vaststellen, maar ik vermoed dat het mijn eerste verkeerslessen zijn. Die kreeg ik in mijn basisschooltijd eind jaren ‘80.
Ik heb mij inmiddels verdiept in de wetgeving op dit punt, maar ik kan niet verder terug dan het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens van 1990. Ik acht het niet onmogelijk dat er voor de invoering van dit reglement zo niet een wet, dan toch jurisprudentie van kracht was die het voetgangerslicht in situaties als de onderhavige als indicatief beschouwt. Die wet of die jurisprudentie zou een verklaring bieden voor mijn veronderstelling dat het geoorloofd is wat ik deed. Ik was daar namelijk heilig van overtuigd.
Hiermee komen we op de kern van mijn betoog. De agenten hielden mij staande omdat ik een overtreding beging, maar ik geef naar waarheid te kennen dat ik dat niet opzettelijk deed. Ik verkeerde immers in de overtuiging dat het voetgangerslicht indicatief is. Door mij in weerwil hiervan te beboeten voor dit milde vergrijp geven de dienders te kennen mijn uitleg te verwerpen en te kiezen voor de enige andere mogelijke uitleg: de provocatie.
Waarde lezer, hoe valt een provocatie te rijmen met de verklaring die ik aanvoer voor mijn gedrag? Of, om de vraag om te draaien, op welke manier provoceert iemand die een overtreding begaat in de veronderstelling dat wat hij doet, geoorloofd is? Sterker nog, zelfs als de overtreder veinst dat hij niet wist dat hij iets verkeerd deed, provoceert hij niet. Wat voor betekenis heeft immers een provocatie nog wanneer de provocateur bij voorbaat weet dat zijn provocatie niet zal slagen – wanneer ik toch al wist dat ik beboet zou gaan worden? Een provocatie zou het zijn wanneer ik met een grote groep mensen onder het oog van de agenten zou oversteken. Pas dan wordt de handhaving onmogelijk, worden de wet en het gezag ter discussie gesteld en is er met terugwerkende kracht een motief aanwezig om te provoceren.
Aangezien ik in mijn eentje onmogelijk enige vorm van zinnige provocatie kon bewerkstelligen, is het niet redelijk mij daar desondanks van te betichten. Dat is immers wat de diender deed toen hij mij een boete gaf ondanks mijn verklaring. Een sanctie als een boete legt men op om de overtreder af te houden van ongewenst gedrag, maar om mij af te houden van het ongewenste gedrag was het voldoende geweest mijn foutieve veronderstelling te corrigeren middels een waarschuwing. Uit hoofde van de maatstaf van redelijkheid en billijkheid die altijd bij de rechtshandhaving een rol speelt, verzoek ik u dan ook de boete in te trekken en mij te beschouwen als een gewaarschuwd mens.
|
| < Vorige | Volgende > |
|---|




Geachte lezer,






